Met AI in het Nederlands gemaakt op basis van onze Engelse quiz; de bronnen verwijzen naar de Nederlandse Wikipedia.
Elk woord hoort bij een woordsoort, en elke bewuste afwijking van de gewone betekenis is een stijlfiguur. Tussen die twee uitersten speelt zich de hele taalbeschouwing af, van het ontleden van een zin over een overgevoelig paard tot de vier klassieke bewerkingen van de retorica. Deze quiz toetst je kennis van lexicale categorieën, de verschillen tussen talen, de woordsoorten in een bekende voorbeeldzin en de Latijnse namen achter de stijlfiguren.
Alle 30 vragen met antwoorden en uitleg. Speel de quiz
Q 01Welke woordsoort is 'het' in 'Het paard is overgevoelig geworden'?
Lidwoord
Het gaat hier om de onzijdige vorm van het bepaald lidwoord.
Q 02Bij welke activiteit onderscheidt men in het Nederlands de woordsoorten?
Ontleding
Een bekende voorbeeldzin daarbij gaat over een paard dat overgevoelig is geworden.
Q 03In welk getal staat 'paard' in de ontleedzin 'Het paard is overgevoelig geworden'?
Enkelvoud
Het woord 'straten' verderop in dezelfde zin staat juist in het meervoud.
Q 04Welke woordsoort is 'is' in de ontleedzin over het paard?
Werkwoord
Het is vervoegd in de derde persoon.
Q 05Wat wil een schrijver vaak bereiken met een stijlfiguur?
De aandacht van de lezer trekken
Het gebruik is altijd doelbewust; een onbedoelde afwijking van de taalconventies telt niet als stijlfiguur.
Q 06In welke vorm staat 'straten' in de ontleedzin over het paard?
Meervoudsvorm
De straten waren hard, wat het paard overgevoelig maakte.
Q 07Waardoor is het paard in de bekende ontleedzin overgevoelig geworden?
Galopperen over harde straten
De zin dient als voorbeeld om aan elk woord een woordsoort toe te kennen.
Q 08In welke twee vakgebieden worden stijlfiguren met name veel gebruikt?
Literatuur en retorica
Een stijlfiguur is het doelbewuste gebruik van woorden die afwijken van hun gebruikelijke betekenis.
Q 09Tot welke vorm is 'geworden' vervoegd in de ontleedzin over het paard?
Voltooid deelwoord
Samen met 'is' drukt het uit dat de toestand van het paard veranderd is.
Q 10Welke woordsoort is 'overgevoelig' in 'Het paard is overgevoelig geworden'?
Bijvoeglijk naamwoord
Het woord beschrijft de toestand van het paard na het galopperen.
Q 11Hoe heet een woordklasse die niet open is?
Gesloten
Veel gangbare woordsoortbegrippen blijken onbruikbaar voor de syntaxis van talen buiten de Indo-Europese familie.
Q 12In welke vorm staat 'harde' in de ontleedzin over het paard?
Verbogen vorm
Het woord beschrijft de straten waarover het paard galoppeerde.
Q 13Van welke woorden worden inhoudswoorden onderscheiden?
Functiewoorden
Het aantal woordsoorten en hun indeling verschilt per taal en nog sterker tussen families van talen.
Welke term is een synoniem voor woordsoort of woordklasse?
Q 21Hoe heet het automatisch toekennen van woordsoorten aan tekst in de computationele taalkunde?
Part-of-speech tagging
Een woordsoort wordt doorgaans bepaald op basis van de bouw van een woord en zijn gedrag in de zin.
Q 22Op grond van welke kenmerken wordt een woordsoort doorgaans gedefinieerd?
Syntactische en morfologische
Het aantal woordsoorten en hun precieze indeling verschillen bovendien per taal.
Q 23Welke basiscategorie van stijlfiguren heet in het Latijn detractio?
Weglating
Deze categorie wordt ook wel verkorting genoemd.
Lexicale categorie
In de computationele taalkunde worden woorden automatisch aan zo'n categorie toegewezen.
Q 15Van welk Latijns woord is de term stijlfiguur afgeleid?
Figura
Een stijlfiguur wordt ook wel stijlmiddel genoemd.
Q 16Hoeveel basiscategorieën onderscheidt men bij de vorming van stijlfiguren?
Vier
De indeling wordt nog steeds gebruikt om de verschillende stijlfiguren te ordenen.
Q 17Waartussen verschilt het aantal woordsoorten nog sterker dan tussen talen?
Taalfamilies
Zo maken veel talen buiten Europa geen onderscheid tussen bijwoorden en bepaalde andere woordsoorten.
Q 18Door wie werden de basiscategorieën van stijlfiguren oorspronkelijk onderscheiden?
Klassieke retorici
Hun indeling wordt nog altijd gebruikt om stijlfiguren te ordenen.
Q 19Voor de syntaxis van welke talen blijken veel gangbare woordsoortbegrippen onbruikbaar?
Niet-Indo-Europese talen
In zulke talen vallen bijvoorbeeld bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden vaak samen.
Q 20Welke woordsoort is 'galopperen' in de ontleedzin over het paard?
Zelfstandig naamwoord
Ondanks de uitgang -en is het hier geen vervoegde vorm, maar de benaming van een handeling.
Q 24Tussen welke woordsoorten maken veel talen buiten de Indo-Europese familie geen onderscheid?
Bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden
In dezelfde talen vallen soms ook bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden samen.
Q 25Welke woordsoort geldt in het Japans, Koreaans en de Chinese talen als aparte categorie?
Telwoorden
Het Japans is ook bijzonder doordat het meerdere categorieën bijvoeglijke naamwoorden kent.
Q 26Welke basiscategorie van stijlfiguren heet in het Latijn transmutatio?
Overdracht
Deze categorie wordt ook wel transfer genoemd.
Q 27Welke Latijnse term hoort bij de basiscategorie 'toevoeging'?
Adjectio
Toevoeging kan ook de vorm aannemen van herhaling of uitbreiding.
Q 28Hoeveel categorieën bijvoeglijke naamwoorden kent het Japans?
Drie
De meeste andere talen kennen maar één categorie bijvoeglijke naamwoorden.
Q 29Welke Latijnse term hoort bij de basiscategorie 'permutatie'?
Immutatio
Permutatie staat ook bekend als uitwisseling of vervanging.
Q 30Hoe heetten de basisbewerkingen van stijlfiguren oorspronkelijk in het Latijn?
Quadripartita ratio
De term verwijst naar de bewerkingen waarmee alle stijlfiguren gevormd worden.